Toeval bestaat niet, denk ik terwijl ik het artikel uit de NRC van 19 november lees met de kop: ‘Nog een dode baby en ik hou ermee op.’ Het gaat over de traumatische ervaringen van artsen tijdens hun werk en de impact die deze op hen hebben. Het lijkt soms wel alsof een bepaald thema in de lucht hangt en zich ineens overal om je heen presenteert.

Na een drukke werkdag op de afdeling gynaecologie/verloskunde in een Duits opleidingsziekenhuis kleden we ons om. Mijn collega, een jonge aios, moppert over de kwaliteit van onze opleiding. Gebrek aan supervisie, gebrek aan structuur van de opleiding en de behoefte meer bij de hand genomen te worden tijdens de opleiding. Mijn beleving is anders. Ik vind dat eigen verantwoordelijkheid past bij de voorbereiding op een carrière zoals de onze.

Ik merk al langer dat mijn collega een terneergeslagen en ontevreden indruk maakt en besluit dat dit het moment is om hierop wat dieper met haar in te gaan. We bespreken waar precies haar onvrede ligt, wat haar verwachtingen en wensen zijn en welke opleidingsstijl bij haar past. Hoe ze over het algemeen in het vak staat en of ze überhaupt de juiste keuze heeft gemaakt. Ze aarzelt zichtbaar voordat ze antwoordt. Ze weet het niet meer zeker. Het is toch allemaal wel veel, vooral op de verloskamer. Na wat dieper doorvragen komt het eruit…. ze is erg bang geworden. En dit heeft alles te maken met twee zeer traumatische situaties die ze kort na elkaar heeft beleefd: twee keer een dode baby.

En op dat moment weten we beiden dat dit de kern van het probleem is. En dan komen de tranen. Stukje bij beetje ontrafelen we de problematiek. Aan de basis ligt de angst voor nieuwe traumatische ervaringen. Haar diepste wens is om van haar supervisoren de zekerheid te krijgen dat dit nooit meer gebeurt. Maar niemand kan haar die zekerheid geven. We vermoeden beiden dat dit gegeven ervoor zorgt dat ze moppert en klaagt over de kwaliteit van de opleiding. Het liefst zou ze de hele situatie ontvluchten, met als excuus dat ze niet in het juiste vak werkt. Ineens past het allemaal in elkaar. We zien het allebei.

Deze worsteling lees ik terug in het NRC-artikel. Wij artsen lijden ook in ons werk. Bijvoorbeeld omdat we worden geconfronteerd met het lijden van onze patiënten. Of omdat we soms moeten werken in omstandigheden die het onmogelijk maken in overeenstemming met onze eigen ethiek te werken. Of omdat we in de media worden neergezet als geldbelust en onvoldoende empathisch naar patiënten toe. En daar ligt volgens mij een grote misvatting.

Volgens mij is gebrek aan empathie niet het probleem. Misschien eerder het tegendeel. Zen-lerares Roshi Joan Halifax, gespecialiseerd in stervensbegeleiding, beschrijft het heel mooi. Volgens haar heb je als zorgverlener twee dingen nodig: een ‘soft front’ en een ‘strong back’. De ‘soft front’ hebben we volgens mij allemaal in essentie best goed onder de knie. Dat is onze empathie: het vermogen het lijden van anderen te zien en te voelen, en de intentie hebben om dit lijden te verlichten. Waar het mijns inziens aan schort is de ‘strong back’. Namelijk de ruggengraat om overeind te blijven in deze storm van emoties. De kracht en de moed het lijden volledig te zien en te voelen, en ons over te geven aan de machteloze, angstige en onzekere gevoelens die dit bij onszelf oproept …. en desondanks de tools hebben om te blijven staan en onverschrokken door te gaan, open en kwetsbaar. Het is een kwestie van balans vinden tussen deze beide elementen: de bakermat van compassie.

Helaas is deze balans nog vaak zoek. De meeste copingstrategieën manipuleren onze ‘soft front’. We nemen afstand van de situatie door cynisme en sarcasme. We houden de patiënt op afstand door ‘professionele’ distantie. We dempen onze gevoelens door misbruik van alcohol of medicatie. Of we verlaten ons werk door ziekte of keuze.

De huidige copingstrategieën ondermijnen een goede gezondheidszorg. Misschien is het tijd voor een andere aanpak. Laten we proberen de balans op een andere manier te herstellen en beginnen met erkennen dat we het leed van onze patiënten kunnen voelen en daar zelf door worden geraakt. Dat dit wenselijk is en essentieel om ons werk goed te kunnen doen. Maar dat we bij tijd en wijle worden overweldigd door wat dit emotioneel met onszelf doet. Dat we onszelf moeten trainen hiermee adequaat om te gaan. Laten we beginnen bewust onze ‘strong back’ te cultiveren, zodat we met compassie de gezondheid van onszelf en onze patiënten kunnen bevorderen.

Natascha Deguelle, aios gynaecologie